Op haar zestiende ontdekt de streng gereformeerde Anna dat ze op vrouwen valt. Jarenlang moet ze haar gevoelens onderdrukken. “Mijn vader noemde homoseksualiteit ‘een gruwel in Gods ogen’, dat voelde vreselijk.”

Het christendom maakte vroeger al een groot deel uit van Anna’s leven. “Ik ging zondags twee keer naar de kerk en  's middags naar de zondagsschool. Bij elke maaltijd werd gebeden en gedankt voor het eten en op de basisschool begon elke dag met het zingen van psalmen.”

Als puber voelde Anna zich anders dan anderen. Terwijl haar vriendinnen allemaal een vriendje kregen, kon zij maar geen jongen vinden op wie ze verliefd kon worden. “Ik ontdekte al snel dat ik op vrouwen viel, maar ik wilde hier niets van weten. Ik hoopte dat ik misschien biseksueel zou zijn. Na een tijd werd mijn gevoel steeds duidelijker en kon ik het nog maar moeilijk ontkennen.”


Depressie
Anna werd depressief van haar gevoelens, omdat ze dacht dat ze nooit een vriendin zou mogen hebben. Homoseksualiteit was volgens haar familie en omgeving een zware zonde. Anna worstelde iedere dag weer opnieuw met haar gevoelens en probeerde jongens leuk te vinden. “Ik zoende zelfs met ze in de hoop dat ik er iets bij zou voelen. Tijdens het zoenen dacht ik dan aan vrouwen, dat hielp me om het leuker te vinden. Na een tijd kon ik mijn gevoelens niet meer onderdrukken en besloot ik eraan toe te geven. Geen jongens meer voor mij, maar ook geen vrouwen. Ik moest van mezelf accepteren dat ik dan maar geen relatie zou krijgen. Nooit meer. Ik probeerde me te focussen op andere dingen en ik hield mezelf voor dat ik ook zonder een relatie een leuk leven zou kunnen hebben.”

Coming out
Anna’s ouders merkten aan hun dochter dat ze niet lekker in haar vel zat. “Toen ik een weekend thuis kwam, vroeg mijn moeder wat er toch met me aan de hand was. Ik wilde er niets over kwijt. Mijn moeder stelde me verschillende vragen. Ben je zwanger? Heb je een relatie met een getrouwde man? Ben je lesbisch? Ik schrok, maar toch antwoordde ik met ‘ja’, waarna ik heel erg moest huilen. Mijn moeder troostte me en zei dat het niet erg was, zolang ik er maar niets mee deed.” Haar ouders dachten dat het slechts een fase was, waaraan therapie een einde kon maken. Toch was ze opgelucht. “Ze wilden niet dat ik een relatie zou hebben met een andere vrouw, maar ze hielden nog wél van me en ze gooiden me niet het huis uit. Dat was al heel wat.”


Een relatie
Al snel kreeg Anna een vriendin, maar haar ouders wilden hier niets van weten. “Mijn vader noemde homoseksualiteit ‘een gruwel in Gods ogen’, dat voelde vreselijk.” Na een lange tijd accepteerden ze dan toch haar relatie en mocht Anna’s vriendin ook bij haar ouders thuis komen. “Ze waren het nog steeds niet eens met mijn keuze, maar ze gunden me wel een gelukkig leven. Als ouders hadden ze het geaccepteerd, maar op religieus niveau waren ze het nog niet met me eens. Dat was nog wel moeilijk.”

In diezelfde periode leerde Anna haar vrienden pas echt kennen. Ze lieten haar één voor één vallen. “Mijn vrienden hadden moeite met het accepteren van mijn geaardheid en ze begrepen mijn gevoelens niet. Ik voelde me enorm in de steek gelaten. Tegenwoordig heb ik nieuwe, niet-christelijke vriendinnen met wie ik beter kan praten over mijn gevoel. Ik kan nu meer mezelf zijn. ”

Tegenwoordig zit Anna bij een Protestants Kerkgenootschap waar ze geaccepteerd wordt als lesbische vrouw. Dit geeft haar veel rust. “Geloof en homoseksualiteit gaan wel degelijk samen.” Ook is ze inmiddels al jaren gelukkig met haar vriendin. “Hoewel mijn ouders er nog steeds moeite mee hebben, hebben ze met onze relatie leren leven. Ik heb me erbij neergelegd dat ze het nooit helemaal zullen accepteren.”

Lees ook onze vorige real life verhalen.